Bouwen aan zelfvertrouwen

In het speeltuintje is een klimrek. Een blond jongetje van een jaar of twee ziet de andere kinderen op het speeltoestel. Hij ziet de drie hoge treden die zij moeiteloos opgaan. De onderste tree is nog hoger dan zijn knie. Hij wilt er op. Eerst kijkt hij of er hulp is. Zijn moeder duwt een meisje op de schommel dus kan even niet helpen. Hij tilt zijn been op. Het lukt niet. Dan nog eens, met zijn knie. Hij zoekt houvast met zijn handen. Het is lastig. Dan stormt er weer een kind voorbij, naar boven. Dan… Alsof er een knopje omgaat bij hem van binnen: Hij moet en zal naar boven… en dan… Het lukt! Daar staat hij. Boven aan het klimrek waar hij naar toe klom!

Hoe gemakkelijk was het geweest hem op het rek te zetten. En toch… Zie hem nu eens staan. Nu heeft hij ervaren hoe het is om op eigen kracht zijn uitdagingen te overwinnen! Nu heeft hij gebouwd aan zijn zelfvertrouwen.

Maar, wat is de basis voor zelfvertrouwen? Hoe komt het dat het ene kind zich onzeker voelt en het andere kind vol zelfvertrouwen zit? En wat kunnen we daaraan bijdragen als opvoeder?

De vraag is ‘Hoeveel vertrouwen geven wij de kinderen? Hoeveel vertrouwen hebben wij in de manier waarop onze kinderen hun uitdagingen aangaan? Deze jongen klom, na verschillende pogingen, zelf het klimrek op. Op zijn eigen manier. De beloning zat in het resultaat. Hij voelde zelf wat hij durfde, wat hij kon en hij deed het omdat hij dat echt graag wilde.

Je kunt je voorstellen hoe anders de situatie is wanneer zijn moeder hem optilt. En roept: ‘Oppassen hoor! Niet uitglijden hè, goed in het midden lopen!’. Zie je het blonde jongetje daar al lopen richting glijbaan? Voorzichtig, angstig. Boven aan de glijbaan overrompeld door angst vanwege de hoogte. Huilend, om hulp roepend.

Natuurlijk zijn het twee uitersten. Maar hoe zal in het tweede voorbeeld de jongen zich voelen? Welk zelfbeeld bouwt hij op als hij dit dagelijks meemaakt? Hij zal denken dat hij afhankelijk is van de hulp van zijn moeder om op het rek te komen. Het rek, de hoogte is gevaarlijk. Zijn moeder te ver uit de buurt. Zodra er iets engs komt (een glijbaan of diepte) is hij in paniek, zo ver bij zijn moeder vandaan. Helemaal alleen. Als hij dan ook nog eens een ongeduldige, ‘ach stel je niet zo aan, ga nou maar gewoon’, te horen krijgt wordt zijn angstige onzekerheid nog groter. Dan weet hij dat hij er ook in zijn angst alleen voor staat.

Natuurlijk kan een klimrek gevaarlijk zijn en natuurlijk kan een kind vallen. Maar mag een kind dat ook zelf meemaken? Ervaren, voelen waar zijn grenzen liggen, wat zijn fysieke mogelijkheden zijn? Wat hij al wel of niet durft? Hoe hij moeilijkheden oplost?

Een kind kan en durft veel meer wanneer hij/zij voelt dat hij kan bouwen op zijn eigen lijf, gevoel, inschattingsvermogen. Als zijn omgeving daar ook op bouwt en op vertrouwd, dan voelt een kind zich verantwoordelijk voor zijn eigen acties. Dan ontwikkeld hij zelfstandigheid, zelfredzaamheid, kortom, zelfvertrouwen!

Rest ons nog de vraag, hoe gaan we als (bezorgde) ouder om met ons gevoel van angst. Angst dat ons kind iets overkomt, angst dat we ons kind zullen verliezen.

Je zult nog verbaasd staan te kijken hoe vaak het eigenlijk goed gaat wanneer je een kind eigen verantwoordelijkheid geeft (binnen veilige grenzen uiteraard). Daarnaast is die angst vooral iets in ons zelf. Het is aan ons om die angst die we voelen, gerust te stellen. Uit te houden. Het is niet aan het kind om zich aan te passen opdat papa of mama geen angst hoeft te voelen. Voel wat je te voelen hebt. En geef, ondanks dat gevoel, je kind de ruimte te groeien, te vallen, succeservaringen op te doen, zichzelf te ervaren en te leren kennen.

Onderzoek op deze manier eens je eigen vertrouwen ten opzichte van je kind en diens capaciteiten. Nodig jezelf uit soms iets langer af te wachten en te kijken of iets gaat lukken. Iets langer af te wachten om te zien wat er gaat gebeuren. Vraag je kind bij een probleem hoe het dat wil oplossen. Of maak er zelfs een spel van door samen de meest gekke oplossingen of ideeën te verzinnen. Gewoon om plezier te maken met elkaar. Lucht in de zaak te brengen. Je kind helpen zelfredzaam te worden. Zelfstandig. Met zelfvertrouwen.

 

Praktijk de Zonneboom. Laat kinderen weer stralen en ouders genieten.